Zaterdag

image

Mijn lichaam voelt als slappe steen

Mascara plakt niet aan mijn natte wimpers

De borstel maakt slagen in mijn vossenstaart

Ik teken opgewekte wenkbrauwen

Gouden ringen in mijn oren

Vandaag geen J’Adore, hooguit Allure

Rokje, hakken, strak, zwart

De vrijmoedige spiegel ziet bevallig, bekoorlijk

Ik zie hartzeer, zelfverwijt

Een geringe zelfdestructie

Happy holler

Vanmorgen heb ik 10 kilometer hardgelopen. Dat lijkt niet zo bijzonder, dat doe ik vaker, maar vandaag was ik me er van bewust dat het toch best speciaal is. 

 


Om half negen word ik wakker en gedag gekust door Rumboman. Na een half uurtje gesoest te hebben, ontbijt ik, schiet mijn sportkleding aan en poets ik mijn tanden. Als ik wil vertrekken zie ik dat mijn slaapmaskertje nog halverwege mijn knot hangt. Ik lach om mezelf, maak een staart en smeer me in met factor 50.
Zomaar op een doordeweekse ochtend loop ik de deur uit. De huissleutel mik ik tussen de kussens van een tuinstoel. Geen muziek aan vandaag, mijn playlist bevat uitsluitend herrie en daar heb ik vandaag geen zin in. Na 500 meter loop ik al langs water en knotwilgen, dag tweeondereenkappers en auto’s. Daarna loop ik langs woonboten, paarden, eendjes, fietsers en mooie oude huisjes. Ik loop door de polder richting de IJssel. Het is erg warm en er is nauwelijks schaduw. Het wordt steeds stiller, ik hoor alleen vogels en in de verte een motorrijder die over de dijk raast.
En ineens voel ik me zo blij en bevoorrecht. Kijk mij hier lopen, helemaal vrij, niemand die mij dwingt in een naaiatelier of achter een raam te zitten of me onder lagen stof te moeten verbergen. Hier loop ik, mijn lichaam gezond, mijn benen stevig afzettend, mijn geest alert. Ik kijk om me heen en neem alles goed in me op. Op een bruggetje sta ik even stil en zie hoe mooi de slootkanten zijn, de bermen vol bloemen. Hoge bomen ruisend, milde schaduw gevend op mijn lijf. Ik hol van de polder het kleine bos door en kom uit op de ’s Gravenweg.

Mijn rondje zit er bijna op. Op de Kerklaan vang ik een paar zinnen op over een gebroken teen. Oudere dames met rollende boodschappentassen lopen richting winkelcentrum. Ik ben moe, ik heb het warm maar ik voel meer energie dan ik kwijt ben. Eenmaal thuis drupt het zweet van me af alsof ik in de sauna zit. Ik drink water, bak een eitje, maak koffie en ik voel me gelukkig.

Bowie

Met Rumboman reis ik naar Groningen voor de tentoonstelling van Bowie. Onder de indruk van zijn changes onderga ik zelf ook een tijdelijke transformatie door de controle uit handen te geven.

 

Lustig onderweg

Met zachte voeten en roodgelakte teennagels, mijn tas vol zoete hapjes, zit ik in de intercity naar het noorden. Eerst in een vierzitter maar Rumboman dirigeerde mij, ons, naar een tweezitter. Ik zit bij het raam en ben verdiept in Griet Op de Beeck. Dan voel ik een hand op mijn been, die langzaam onder mijn jurkje omhoog kruipt. Ik geniet van de spanning die dat veroorzaakt, de opmaat voor wat komen gaat. Regen klettert tegen de ramen maar het weer beïnvloedt mijn stemming niet. Elk weertype zou goed zijn op dit moment. Wij zitten samen in de trein, dicht naast elkaar met beiden de belofte voor dit weekend in ons hoofd.

Het eerste treffen
Bij aankomst op station Groningen blijkt de regen toch echter en kouder dan ik dacht. Met m’n rolkoffer loop ik fluks klikklakkend maar rillend pal de verkeerde kant op. Taxi waar ben je? Na een kleine omweg ploffen we op een zachte brede achterbank, de chauffeur half antwoord gevend op zijn belangstellende vragen. Ja, we zijn hier voor de Bowie tentoonstelling, en ja de stad is ons bekend. Aangekomen in de hotelkamer smijten we onze spullen in een hoek en vallen we op elkaar aan alsof we weken gescheiden zijn geweest. Het smetteloze dekbed moet er direct aan geloven. Daarna eten en drinken we in ons favoriete restaurant aan de Oude Boteringestraat. De risotto en de wijn zijn fluwelig en delicaat. Het regent zachtjes als we naar het museum lopen.

De ondoorgrondelijke Bowie
Vanaf zeven uur zijn we welkom. We krijgen een koptelefoon en een ontvanger om zo individueel de informatie te kunnen beluisteren. Na een minuut zet ik de koptelefoon af. Ik wil weten hoe het is als niemand spreekt. Het is een rare stilte, ik hoor alleen loopgeluiden, het geschuifel over de zachte vloer. Niet lang daarna grijpen de beelden en de muziek me aan. Letterlijk met open mond sta ik voor de pop die het pak van Bowie in Ashes to Ashes draagt. De video ernaast bekijk ik drie keer. ‘My mamma said, to get things done, you’d better not mess with Major Tom.‘ Het ontroert en fascineert me. Tranen rollen over mijn wangen. Ik denk dat ik bevat waar het over gaat, maar aan de andere kant weet ik dat ik Bowie nooit zal kunnen begrijpen, hoe ik mijn best ook doe. Ik betrek het maar op mezelf en een denkbeeldige Major Tom.

Los draadje
‘Kijk er hangt iets los!’ zeg ik, wijzend op het draadje dat uit de broekspijp van de Bowiepop hangt. ‘Je knipt het niet af hoor!’ Ik kijk Rumboman een beetje verbaasd aan. ‘Je bent er gek genoeg voor tenslotte.’ zegt hij, als hij m’n blik opvangt. Ik lach en schud mijn hoofd. Zo brutaal ben ik nu ook weer niet. En dat draadje, dat hoort daar gewoon, het maakt het nog echter, minder gepolijst.

Grensverleggend spel
Tegen tien uur gaan we de taxi weer in. Ik ben onder de indruk. Changes. Altijd maar weer. Weer terug in het hotel ondergaan we, zoals gepland, beiden een verandering. De modus was er al de hele dag, maar nu is de transformatie ook fysiek. Ik verander in een alter ego -anders, maar toch zo dicht bij mezelf- en Rumboman neemt ook zijn rol in. Het spel begint. De buitenwereld bestaat nu niet, zintuigen worden gedimd, op scherp gezet. Grenzen worden opgezocht en met genoegen overschreden. Ik ervaar onverwachte maar gewenste sensaties, waar ik nog dagenlang de sporen van meedraag en die ik af en toe met binnenpret bekijk. In de badkamerspiegel zie ik na afloop mijn vergenoegde blik. Bowie zingt in mijn hoofd. ‘Rebel rebel, you’ve torn your dress, rebel rebel, your face is a mess…’
We slapen uit, ontbijten op de kamer en maken geen aanstalten om te vertrekken. De avond en de nacht denderen door mijn hoofd. De bohemien Bowie, altijd in control, letterlijk tot aan zijn dood toe. Rumboman, ook in control, over mij, de afgelopen nacht in ieder geval. De taxi komt, we gaan terug naar Rotterdam. Op het station drinken we espresso’s bij Julia’s. Changes. Als levensstijl voor Bowie, voor ons to spice things up, zo nu en dan.

Popster

Ik had het kunnen weten, nee ik had het móéten weten: ik zou het veel te leuk gaan vinden en het niet kunnen stoppen. Bernard. Van een paar grappige berichtjes op Twitter via uitgebreide gesprekken in DM, naar dagelijks en wekenlang bijna fulltime contact in WhatsApp. Dat het zou eindigen zag ik aankomen. Het was pijnlijk maar goed, want ik ging verder en verder en ik had geen idee waar naar toe. Los van alles, als voorheen.
Rumboman had al lang aan me gemerkt dat er iets aan de hand was en wist ook vrijwel zeker met wie ik virtueel aan het rotzooien was. Intuïtie en ervaring, want hoewel ik inmiddels bijna een pro geworden was in het aangaan en onderhouden van spannende contacten, liet ik toch steken vallen. ‘Heb je nog contact met Bernard? Waarom appen jullie, is Twitter te opzichtig?’ Ik schrok me rot, hoe wist Rumboman dit? Vlug veranderde ik de code van mijn telefoon en verloor hem geen minuut uit het oog. Berichten wiste ik, soms met een beetje pijn in mijn hart. Maar eenmaal kon ik de verleiding niet weerstaan en stuurde ik een gearchiveerde chat naar mijn werkmail.

Intussen deed Bernard erg zijn best. Liet zich meevoeren op een romantisch idee over het vastleggen van herinneringen, schreef mijn -door hem bedachte- popsterrennaam in een boek en stuurde mij er een foto van. Ik was gevleid, vond het leuk maar floot een beetje terug, zei: ‘Je mist mij niet, maar het contact dat we hebben.’ De weken er na appten we bijna de hele dag, stuurden elkaar filmpjes waarin we tegen elkaar spraken, tekstberichten, meer foto’s. Zeiden elkaar welterusten en goedemorgen. En op een gegeven ogenblik was daar het idee dat we seks met elkaar zouden kunnen hebben, zouden moeten hebben. En nog ging er bij mij geen alarmbel af. Niet na de ervaring met Breekijzer, ook niet na het vergelijkbare, maandenlange contact met Koning. Want ik dacht dat ik het in de hand had.
Langzaam aan voelde ik de hand van de gewenning steeds steviger in mijn nek knijpen. Wat werd er toch prettig op mijn beloningssysteem gedrumd en wat zou het vervelend zijn als het weer weg was. Niet over nadenken dus. Endorfine is fijn.
We spraken af. We dronken thee. En ik verbaasde me over deze man. Of jongen eigenlijk, met zijn witte gympen en spijkerbroek. Bankpasje los in zijn zak. Zo verlegen, hoe rijmde dat met wat hij vertelde? Want zijn leven, dat fladderige, met vriendinnetjes, toevallige ontmoetingen in de nacht, een vrije baan en daarnaast zijn gezin. Eigenlijk was ik er een beetje jaloers op. Dat ogenschijnlijk ondraaglijk lichte, luchtige, spontane, wispelturige gedrag. Had ik dat maar. Was ik hem maar een beetje. Dacht ik dat echt? Zou ik daar gelukkiger van worden? Onrust is dan ook je vriend.
Rumboman zag rook, vond het vuur en ik schrok me te pletter. Ik was niet eerlijk geweest en ik wist het. Ik had gelogen en was over de grens gegaan, terwijl ik hem eerder beloofde mezelf in de hand te houden. Maar blijkbaar kon ik dat niet. ‘Het overkomt me.’ beweerde ik. Maar in de snoepwinkel van Twitter is het cherrypicken. Aanbod genoeg en de leukste, interessantste, slimste man koos ik uit. Nieuwsgierigheid is soms onhandig. ‘Je bent zelf fladderig, met je scheve schaats.’ zei Dichter op mijn klaagzang over Bernard. Daarna zei hij aan mijn billen te denken, maar niet met me te willen flirten. Gelukkig maar, want ik stond al op het startblok in mijn meest flatteuze bikini.

Dus hier zit ik nu. Voormalig popster. Afkickend van de endorfine. Rumboman die liefdevol voor me zorgt, zegt van me te houden maar het een volgende keer echt niet meer pikt.

Ik neem risico’s. Ik zoek spanning. Ik maak mooie dingen kapot. Ik wil het niet meer willen. Ik zoek naar het waarom, maar eerst naar het hoe. De snoepwinkel zit op slot, de sleutel bewaar ik nog even. Dag Twitter, tot ooit.

Zondag

Wakker geworden met een snoeiharde katerkoppijn, een plakkerige mond en met het besef dat het weekend is, voel ik me tevreden en behaaglijk. Als ik me losmaak uit de kleverige slaapomhelzing voel ik iets onder mijn hand. ‘Kijk nou!’ piep ik ‘Een stuk tand!’ Ik bestudeer het kleine ivoorkleurige harde stukje in het half donker en ben er redelijk van overtuigd dat het een stuk van mijn gebit is. ‘Misschien heb ik het er wel uitgeslagen.’ grijnst Rumboman. Ik herinner me het prettig branderige gevoel van een paar uur eerder en lach mee. Bij nadere inspectie in het spiegeltje dat ik uit mijn toilettas vis zie ik geen onvolkomenheden in mijn gebit. Wel zie ik mascaravegen en andere vlekken. ‘Ik zie er uit als een snol.’ constateer ik voldaan.

Het scherfje is bij vol daglicht toch geen tand. ‘Het lijkt wel een stukje plastic.’ ‘Of een schelpje.’ verzinnen we. Rumboman hangt vlak boven me om nog eens goed in mijn mond te kijken. Ik giechel en denk dat het kennelijk wel meevalt met de lucht van het residu van verschillende kleuren wijn, eiersalade, schimmelkaasjes en zijn lichaamsvocht.

De indrukken van de dag en de alcohol spannen samen tegen mijn nachtrust. Ergens in de nacht lig ik wakker.

Met negen vrouwen zaten we om een grote tafel. Er was taart, hartig en zoet. Wijn, rood en vooral wit die, ondanks dat hij nog niet op temperatuur was -oh jee-, heerlijk smaakte. Er waren grote en kleine gesprekken, lichte en opzienbarende onderwerpen. Zacht geknik en luid gelach, blikken over en weer. We bespraken lastig te doorbreken patronen en nieuw verworven vrijheden, vers geluk en vervlogen zeer.

En dan vraagt iemand vanaf de overkant van de tafel, net in een toevallige stilte, dus iets te hard: ‘Hee Afke, hoe ís het nou met jou?!’ Alsof mijn antwoord cruciaal zal zijn voor iets belangrijks, als een startschot voor een wedstrijd, kijkt iedereen mij afwachtend zwijgend aan.

Ik begin een verhaal zonder kop en als ik eindig zonder staart heb ik verteld over het vage onbehagen dat ik soms voel, afgezien van de mazzel dat Rumboman en ik elkaar hebben (ondanks die klotestreek van mij) dat ik een leuke nieuwe baan en een fijn huis heb en mooie onvervalste puberdochters. Ik vraag me hardop af of ik ontevreden ben over de rouw over mijn moeder (hoe moet dat?) en tik ik soms teveel wijntjes naar binnen? Wat als ik er ouder uit ga zien? (wat me vreselijk lijkt). Hoe verhoud ik me tot gemiste kansen (en ik zeg daar dan maar niet bij wat ik écht bedoel).

Ik kruip bijna onder de tafel van verlegenheid als ik bedolven word onder de complimenten. Ja ik zie er goed uit, ik heb het goed voor elkaar, dat weet ik wel maar toch. Oppervlakte is alles en niets. Dan vraagt iemand: ‘En, ben je gelukkig?!’ waarop ik volmondig ‘Ja.’ antwoord. Ik rotzooi maar wat in de hoogste top van de pyramide van Maslov, daar ben ik me terdege van bewust. Ik kan het me niet veroorloven of zelfs toestaan ongelukkig te zijn.

Ik val weer in slaap. Geen idee hoe laat het is. Kerkklokken, het zal rond tienen zijn. Vanuit mijn ooghoek zie ik mijn jurk en ondergoed op de grond gesmeten liggen. Ik ben naakt, warm en ik ben ongestoord samen met mijn liefste. Ik verheug me op koffie, mét Brufen. En ik tel ik mijn zegeningen, deze zondag.

September

De dag dat ik brandende mensen uit kapotgevlogen gebouwen zie springen is de dag dat Berber, de dag ervoor drie jaar geworden, voor het eerst naar de peuterspeelzaal gaat. Ondanks dat ik haar al jaren bij haar gastouder breng, ben ik plaatsvervangend wiebelig. Natuurlijk is de juf knap en aardig en stuift Berber direct weg over het schoolpleintje op een precies passende driewieler.Gerust fiets ik naar huis en waarom weet ik niet, misschien was het iets dat ik hoorde op de radio, maar ineens zit ik voor de tv. Aan de grond genageld en met open mond van afgrijzen ben ik precies op tijd om te kunnen zien hoe het tweede vliegtuig een schuine bocht maakt. Alleen thuis met mijn schrik sms ik Rumboman. Iets dat ik nooit doe om iets dat buiten ons gebeurt. Dan de rauwe ooggetuigenverslagen en de paniekerige interpretaties. Mijn ‘wij en zij’ gevoel is afwerend aan het schudden. Zijn het de anderen, of hoor ik daar toch bij? 

Met mijn hoofd vol horror sta ik even later weer bij het speelpleintje. Al vlug zie ik het blije blonde krullenhoofdje op me af komen rennen met in haar kielzog aardige juf. Het spijt juf enorm want ‘Berber is van de driewieler gevallen, blijven hangen op een stoeprandje en omver geklapt.’ Berber grijnst haar spinnige lachje. ‘Haar tandje is een beetje kapot.’ Op het eerste gezicht zie ik niets. Eenmaal thuis bij nadere inspectie zie ik dat een van haar voortandjes van boven naar onder gespleten is. Een beetje kapot? Dwars door midden! 

De wereld schudt en golft. En ik vraag me af of ik met mijn driejarige naar de tandarts moet. De tv staat weer aan, de updates worden steeds verschrikkelijker en de particuliere filmpjes met bijbehorend gehuil en gekerm gaan door merg en been. Morgen gaan Berber en ik, zoals bijna elke dag, met de trein. Zij naar haar gastouder, ik naar mijn werk. Het schiet door mijn hoofd: wat nu als er een aanslag op CS komt? Ik zie ons al tussen de brokstukken liggen. Berber heeft nergens last van, ze drinkt haar pakje appelsap en gaat buiten een dansje doen op de zandbak. Volgens de tandarts is er weinig aan de hand en kan het tandje er hooguit uit vallen. 

Lieve Berber. Spring en maak grapjes, gier van de lach, val tandjes uit je mond. Schrik van de rode saus die plotseling over een puddinkje stroomt, nee het is geen bloed. Maar kijk niet naar de tv. 

Film

‘Het is net een film van Fellini.’ verzucht ik tegen Moos, een van de zwagers, die achteloos op een bij de voordeur geparkeerde ambulancebrancard leunt, terwijl we op de galerij staan te wachten.

Dat deze begrafenis beladen zou zijn, had ik verwacht. De verhalen die Rumboman me over de aanloop er naar toe vertelde, hadden mij er op voorbereid.

Bij aankomst tref ik bij de openstaande voordeur David, mijn zwager. Als ik hem ter begroeting drie keer kus ruik ik een alcohollucht. ‘Tijd niet gezien.’ zegt hij, alsof dat stomtoevallig is. Ik bevestig het en ga niet in op wat hiervoor de reden kan zijn. ‘Ik ben erg nerveus.’ zegt hij, waarbij hij staat te trillen als een nat hondje. Ik heb met hem te doen.
Het is bijna tien uur en de flat is tot de nok gevuld met familie en aanhang, waarvan de meeste twintigers er uitzien alsof ze naar een feestje of een Italiaanse begrafenis gaan, kek in het zwart gekleed. Mijn oog valt op het van Gils-achtige neefje, een knap joch zo in z’n pak. En wat lijkt hij op Rumboman.

Terwijl we in de woonkamer wachten tot de kist uitgedragen wordt (liever geen publiek had de begrafenisondernemer gezegd, er moesten wat manoeuvres gemaakt worden die geen fijne aanblik zouden bieden) hoor ik een geluid of iemand langzaam in z’n handen klapt. Tegelijkertijd hoor ik Judith ‘Esther! Haal adem!’ roepen. De andere aanwezigen lijken het ook te horen maar niemand reageert echt. Ik loop naar de keuken en zie schoonzus Esther op de grond liggen, twee van haar zussen over haar heen gebogen en zwager Moos, die er vorsend kijkend naast staat. 

Esther is buiten bewustzijn en reageert nergens op. Ik bel 112 en weet niet meer in welke straat ik ben. ‘Da Costastraat 58!’ roept de alerte begrafenisonderneemster, die alles vanaf de zijlijn volgt. Ik word door de centralist door het ABCDE geloodst. Ademhaling, hartslag, kleur, stabiele zijligging. De commotie bij de anderen in de kamer valt mee. Of ze merken het niet eens want de deur naar de kamer zit dicht. Intussen moet de kist er nog langs. Ik sta buiten op de galerij met Moos en wat neven. We zijn getuige van een spannende exercitie: kan de kist de hoek maken door de voordeur? En ja, alles lukt. Natuurlijk.

We vertrekken naar de kerk. Bij aankomst ga ik naast David zitten, hij zit onrustig te frunniken aan z’n tas en z’n bril. Het zaaltje loopt aardig vol en tot mijn verbazing komt ook Esther binnen wandelen. Nog wat verfrommeld, maar ze is er en ze gaat vooraan zitten. Sterker nog: even later staat ze op en zingt, staande naast de kist, een prachtig lied.
Rumboman speecht. Het is een toespraak zoals je die in Zweedse films ziet: voor zijn raap, zonder gevoeligheden uit de weg te gaan, maar eerlijk en recht doende aan de situatie. ‘Mijn vader is verwekt met het mes op de keel.’ zegt Rumboman. Deze zin snijdt door mijn ziel. Het trauma dat zijn vader -in een hier al lang vergeten oorlog- heeft opgelopen, het daardoor beschadigde gezin, de consequenties daarvan voor het huwelijk, niets wordt weggemoffeld. Rumboman kiest de juiste woorden en declameert zo dat de toespraak een regelrecht eerbetoon aan zijn ouders is. Ik ben trots op Rumboman, dat hij daar staat, hoe hij daar staat, om wat hij zegt, om hoe hij het zegt. 

Zes kleinzoons dragen de kist naar het graf. Mijn schoonmama lijkt extra klein en kwetsbaar, zo gearmd met twee grote kleinzoons, in de te grote jas, die ze vanwege de plotselinge kou aan heeft gekregen van het van Gils neefje. Er is nog een korte plechtigheid, inclusief bescheiden spetterend weiwater. Dan is er koffie, met een broodje, daarna gevulde koeken (schoonpappa’s favoriet) en borrels. En zoals dat soms gaat, is het nog gezellig ook. 

Een paar dagen later merk ik dat ik lastig aan rouwen toe kom. Ik zie de scenes steeds aan me voorbij gaan. Rumboman en ik delen onze interpretaties en hypotheses op de gebeurtenissen. Ik ben zo in beslag genomen door het tentoongespreide drama, dat het lijkt of ik mezelf er van moet overtuigen dat ik aanwezig ben geweest bij de begrafenis van mijn schoonvader, en niet op een filmset.

Gisteren gaf ik een les over copingstrategieën. En ineens viel het kwartje: moeilijke en pijnlijke dingen kun je onbewust en onbedoeld soms maar beter via een omweg benaderen, om het even niet te voelen en zo toch nog overeind te blijven. Ook al val je daarbij letterlijk om.

Verjaard

Als je vraagt of ze het zouden doen met magere meisjes met rotte tanden, puisten en wellicht een SOA, zeggen alle mannen volmondig nee. Toch heb ik, destijds als medewerker van de GGD, lange files zien staan voor de ingang van de tippelzone op de Rotterdamse Keileweg. Wandelend over de zone, om de meiden een hulpprogramma in te praten, keek ik wel eens een auto in en daar zaten soms best aardig uitziende mannen in. Niet de types die geen meisje kunnen krijgen omdat ze spuuglelijk en arm zijn. Het was iets anders dat hen daarheen dreef.

Gisteren las ik een column waarin uiteengezet werd waarom mannen geen seks met een oudere vrouw zouden moeten hebben. Het was een vlot geschreven stuk, met originele en humoreske metaforen. Wat helaas ontbrak was de definitie van oud. ‘Boven de 40.’ stond er. Gezien de gemiddelde levensverwachting van de Nederlandse vrouw is dat een nogal ruime marge. Dus wie bedoelt de schrijver eigenlijk?

Als antropoloog weet ik dat wie iets zegt, en waarom, interessanter is dan wat er gezegd wordt. De schrijver van de column is begin 30, vandaar misschien zijn obsessie met leeftijd, want ja, mannen van 30 verliezen hun haar, worden vaak te dik en compenseren dit met te grote tatoeages op hun klapkuiten. Of generaliseer ik nu? Als de schrijver zelf een jonge God is, die fris ruikt, een strakke buik heeft, gespierde armen, sterke handen (die ook nog eens de G-spot weten te vinden), begrijp ik deze poging om de weerstand tegen het ouder worden te kanaliseren.

Gisteren dronk ik koffie met mijn collega Sophie. Ik vind haar erg aantrekkelijk en je zou bijna kunnen zeggen dat we met elkaar flirten (zou zij het doen met vrouwen van veertig, vraag ik me stiekem af). Sophie zit tegenover me en hangt een beetje tegen de muur. Ze stoot steeds net niet haar hoofd tegen het enorme schilderij dat boven haar hoofd hangt.
Een beetje klagerig vertelt ze over het feit dat ze bijna dertig wordt. ‘Ik val ineens in een heel andere doelgroep, ik krijg aanbiedingen voor levensverzekeringen enzo.’ Pruilerig vervolgt ze: ‘Ik ga een grafkist bestellen. En een feestje geven met alleen koffie en cake.’ We liggen dubbel van de lach. ‘Maar wanneer word je dan dertig?’ vraag ik. Als ze mijn verjaardagsdatum noemt vallen we elkaar bijna kirrend in de armen. Op dezelfde dag jarig! ‘Maar hoe oud ben jij nou?’ vraagt Sophie. ‘Ik ben uit 1968.’ antwoord ik.
‘Ooh. Oh! Dat zou je helemaal niet zeggen. Ik dacht dat je veel jonger was.’ Ik giechel een beetje. Ik hoor het vaker, maar ik weet niet zo goed hoe ik het moet interpreteren. Val ik nu mee, of juist tegen?
Collega Lia loopt langs, ze geeft me een complimentje over mijn rokje; mijn achterkant ziet er net zo mooi als mijn voorkant. Ik bedank haar glimlachend. Dan zegt ze: ‘Je ziet er een beetje moe uit. Ik zie ook dat je make-up gebruikt hebt om het te verdoezelen.’ ze schatert het bijna uit.
‘Als je dat kunt zien sta je te dichtbij Lia.’ Ik maak er maar een grapje van. (Wat zij niet weet is dat ik niet zoveel slaap vanwege de hechtende rondjes liefdes Formula Rossa met Rumboman).
Eerlijk gezegd is deze vijftigplusser een vrouw die ik wel kan plaatsen in de column van de dertiger. Ze ziet er verzorgd uit, haar kleding bestaat uit gekleurde lappen en felgekleurde laarsjes, haar dunne lippen zijn agressief rood gestift en ze heeft een rokersluchtje. Maar wat haar definitief onaantrekkelijk maakt is haar vileine ondertoontje. Ik voel het knijpen van deze krabbige vrouw, ze wil me de mand uit duwen.
Jochies van dertig die walgen van veertigplussers, daarvan heb ik niets te vrezen; dat gaat niet over mij, maar over henzelf. Vrouwen die ouder zijn dan ik en onderhuidse prikjes aan mij uitdelen, ach kennelijk moet dat, je afzetten naar boven of beneden.
Maar waar gaat het nu echt om? Waarom gaat de ene man wel naar een heroïneprostituee (overigens niets mis met een aardige, gezonde en blije hoer) en zegt de ander überhaupt ‘geen vrouw boven de 40 te willen neuken’?
Volgens mij gaat het niet om leeftijd. Het gaat er om of je iemand leuk vindt, grappig. Of dat je hem of haar lekker vind ruiken en geil vindt. ‘Act your age mama, not your shoe size.’ zegt Prince.
Fuck leeftijd.

Ambitie

Op een mooie zaterdagmiddag in februari sta ik met een plastic glas met witte wijn in mijn hand (ja alweer) op de stoep van onze straat. Ik sta hier niet alleen, ik bevind mij in het gezelschap dat is uitgenodigd door onze overburen om de inwijding van hun nieuwe mobiele marktkraam bij te wonen.

De stoep is breed en biedt plaats aan een partytent en een luchtkussenspringkasteel. Rumboman en ik kletsen met onze buren, althans met Tina, de buurvrouw. De buurman is zoals altijd geïnteresseerd kijkend, maar vaak zwijgend aanwezig. Tina vertelt over haar opleiding tot advocaat en al vlug zijn zij en ik in een gesprek verwikkeld over onze toekomstplannen. Ik vertel enthousiast over mijn voornemen om een promotietraject in te gaan. We lachen en glimmen naar elkaar, ja dit moeten we doen, en oh wat fijn dat we zulke kansen krijgen, beamen we beiden.

Dan zegt Rumboman vrij hard tegen de buurman: ‘Maar ik steun dat helemaal niet hoor.’ Hij neemt een flinke slok van z’n biertje en de buurman glimlacht wat. Ik kijk Rumboman aan. Ik weet wat hij bedoelt. Dit is geen spontaan opgekomen passief agressieve opmerking van man tot vrouw op een buurtborrel, dit is hoe het is en waarmee ik het heb te doen.

‘Eigenlijk vond ik 2013 maar een rotjaar. Ik zag jou vooral gestrest en afwezig.’ zei Rumboman een week eerder, terwijl we op de bank hingen en onszelf vetmestten met Franse kaasjes.Voor mij was de eerste helft van 2013 spannend en uitputtend. Ik had mijn zinnen gezet op een mastertitel en de weg daar naar toe was intensief. Daarnaast had ik het gevoel dat ik nooit eerder zo tot mijn recht was gekomen. Daarbij leunde ik op de steun en stabiliteit van mijn gezin, maar wat ik kennelijk niet zag was het negatief daar van.Was ik gestrest? Was ik afwezig? Kortaangebonden? Had ik nooit tijd als de kinderen iets vroegen? Eerlijk gezegd denk ik dat het waar is: toen ik naar mijn eigen idee tot mijn recht kwam, deed ik mijn gezin tekort. Wie had daar nog meer iets aan behalve ik zelf? Wat wilde ik bewijzen?

‘Wil je soms wéér zo afdrijven?’ Rumboman ging nog even door. ‘Ik zie dat niet zitten hoor, als je promotie je eerste prioriteit is dan ga je maar op een flatje zitten. Met je laptopje.’ En als uitsmijter: ‘Je wilde toch per se kinderen? Nou, nu heb je ze, is het niet meer dan fair als je er dan ook voor ze bent?’ Mijn oren glimmen, ze zijn behoorlijk afgerost met groene zeep en een grove borstel.Het geeft niet, duidelijker dan dit kan niet. Aan de ene kant is het prettig dat ik weet waar ik aan toe ben, aan de andere kant lijkt het alsof ik een keuze moet maken.

De buurtborrel loopt ten einde. Ik loop naar de overbuurman om gedag te zeggen. Hij vertelt enthousiast over zijn nieuwe marktkraam. Het ziet er prachtig uit, wel honderd vakken gevuld met snoepjes, drop, chocolade, paaseitjes. ‘Het koste me wel vier uur om de hele kraam te vullen!’ zegt hij. De overbuurvrouw staat te glimmen tussen de bloemstukken en de lege flessen.Ook zij hebben ambitie. Een gedeelde passie voor het verkopen van snoep waar ze als gezin van leven.

Hoe anders ligt het bij mij, bij ons.Waar mijn ambitie ligt wordt steeds duidelijker. Een gedeelde ambitie met Rumboman zal het nooit worden, maar ik ga in elk geval mijn best doen het niet tot mijn eerste prioriteit te maken. Nog even oefenen op deze spagaat.

Moed

Het is zondagavond en ik sta in een heuse club. Ik zie paarse flitslichten, spiegelende muurbekleding, loungebanken en aan weerszijden van de ruimte een enorme bar, met verlichte reclame voor Belvedere vodka erboven. De bassen dreunen aangenaam door mijn buik en ik hef vrolijk mijn plastic bierglas –goed gevuld met witte wijn- met mijn buurvrouw. We staan ontspannen lacherig mee te bewegen en we bezien met lichte verwondering de strakke gezichtjes in het publiek. Onze eigen elfjes hebben zich gemixt met de rest van de toeschouwers die enthousiast meebrullen met dj Broederliefde.
Plotseling begint het publiek hoog en snerpend te gillen: dag dj, hallo B-Brave!

Zo ontspannen als ik hier nu sta, zo opgefokt was ik vanmorgen tijdens het hardlopen. De kettingbotsing in mijn hoofd stond weer vol op te walmen en benzine te lekken, claxons gingen onafgebroken af en airbags puilden uit de ramen. Violente fantasieën richting de vermeende veroorzaker leken het geheel iets te dempen, maar losten niets op. Niet in mijn verbeelding en zeker niet in de werkelijkheid.

Een paar uur later zit ik aan de keukentafel. Er druppelen tranen in mijn tomatensoep. ‘Ik denk dat er zwaarder geschut aan te pas moet komen dan een psycholoog.’ snik ik tegen Rumboman. ‘Ze stelt niet de juiste vragen.’ Rumboman kijkt me vriendelijk peinzend aan. ‘Misschien vertel jij wel te weinig. En wat maakt nu dat je ineens zo geëmotioneerd bent?’
‘Het laat me niet los, ik voel me emotioneel misbruikt.’ Rumboman ruimt het aanrecht op, ordent. ‘Gek genoeg doet het me goed dat je dit nu laat zien. Dit past beter bij je dan hoe je je van de zomer gedroeg, zo hyper en vluchtig.’ Voorzichtig dep ik mijn ogen en dank de Hema in stilte voor hun eyeliner, die gesnotter en gezweet weerstaat. Ik moet nog uit tenslotte.

Het optreden van B-Brave is in zekere zin moedig te noemen. Ze staan met zijn vijven hutje mutje voor de dj booth, pal op het publiek dat briefjes en knuffeltjes omhoog steekt. Het zaalgeluid is te zacht en aan de paniekerige blik van een van de boys te zien doet de zangmonitor het niet goed. Desondanks gaan ze dapper door met zingen, wat ze best goed af gaat gezien de ongemakken. Ik kan het optreden volgen door tientallen schermpjes, moeders maken selfies met de zingende jongens op de achtergrond en fotograferen hun kroost.
Na enkele minuten ruik ik een walm van tienertranspiratie, kennelijk hebben de meidjes het zo warm gekregen van de muziek, de jongens, het gegil en gehuil dat de Vogue deodorant met bloemetjeslucht het niet meer houdt.
Na een stief half uurtje is B-Brave ineens verdwenen. Ik ga er van uit dat het pauze is en haal nog twee bierglazen met wijn. De zaal loopt een beetje leeg. Ik vraag de brede meneer met bolle buik, wijd wit T-shirt, brilletje en kuiltjes in zijn wangen, -van wie ik vermoed dat hij iets te managen heeft in deze club- of de mannen nog terug komen. ‘Nee, die zijn allang weg.’ antwoordt hij met een licht Zaans accent.
Ineens vind ik de B’s niet zo brave meer. Ik zie onze elfjes vooraan bij de booth staan, babbelend met een rapper uit het voorprogramma. Zij weten dat het afgelopen is. ‘Het was zooooooo leuk!’ hyperen ze na. Mooi zo.

Via de snackbar beland ik op de bank en drink een late koffie met Rumboman. Terwijl hij zijn game afmaakt maak ik een rondje langs mijn favoriete sites. Op een forum lees ik de reactie van iemand op mijn zielenpijn, dat in mijn ogen veroorzaakt is door Max de narcist. ‘Als je het mij vraagt, is jouw eigen ijdelheid geschaad en kun je daarom niet loslaten.’ Dat wil ik eigenlijk niet horen, maar ik moet het onder ogen zien: daar zit een gedeelte van mijn woede en frustratie: ik kan het niet uitstaan dat ik me zo heb laten gaan en de controle ben verloren.
Rumboman steunt mij, zegt ‘Oh oh, het is wat met jou.’ en omhelst me als ik huil van deceptie om mijn eigen gedrag. Dit is wat liefde is -naast genieten van de sterke aantrekkingskracht en andere prettige dingen- niet weggaan en niet opgeven als het echt moeilijk wordt, ook niet als je zelf gekwetst bent, zoals Rumboman is.

Om dat te kunnen is er, naast deze echte en sterke liefde, een eigenschap nodig die Rumboman bezit: moed.